Als illustrator werk ik op een traditionele manier. Ik merk dat het me rust geeft om materialen te kunnen voelen, ruiken en verschillende benodigdheden uit te proberen. Er zit iets in dat tastbare wat me dichter bij mijn werk brengt. In deze blogpost wil ik graag delen welke materialen ik gebruik om mijn illustraties tot leven te laten komen.
Waterverf
Ik werk op dit moment veel met waterverf in combinatie met kleurpotloden. Onlangs kocht ik twee nieuwe sets: White Nights en Roman Szmal. Ik had ze al vaker voorbij zien komen bij andere illustratoren en merkte dat mijn nieuwsgierigheid steeds een beetje groeide. Uiteindelijk heb ik ze gewoon besteld, zonder precies te weten wat het zou veranderen.
Wat me meteen opviel, is hoe levendig de kleuren aanvoelen. Rijker misschien, en losser. Tegelijkertijd zit er ook verschil tussen de sets. White Nights heeft een wat beperkter kleurenpalet en er zijn geen losse napjes van verkrijgbaar. Roman Szmal biedt daarin net wat meer vrijheid, met een groter aanbod aan kleuren en de mogelijkheid om losse napjes aan te schaffen. Beide werken met halve napjes, wat voor mij prettig is in gebruik.
Ik ben ooit begonnen met aquarelverf van Winsor & Newton en dat blijft voor mij ook een fijne basis. Daarmee wil ik niet zeggen dat andere verf minder is, integendeel. Zo is Kuretake Gansai Tambi ook een grote favoriet van mij. Die verf is wat dekkender en voelt bijna als een middenweg tussen aquarel en gouache, wat weer een heel ander soort werk mogelijk maakt.
Wat ik steeds meer begin te merken, is hoeveel verschil papier en penselen maken in combinatie met de verf. Hoe het water zich gedraagt, hoe snel iets droogt, hoe kleuren in elkaar overlopen. Het zijn subtiele dingen die je pas echt opvallen als je er de tijd voor neemt.
Zo ontdekte ik bijvoorbeeld dat ik mijn napjes het liefst licht inspuit met warm water, met een klein sprayflesje. En dat ik mijn penseel voorzichtig uitspoel door het rustig door het water te bewegen, in plaats van te ‘schrobben’. Het zijn kleine handelingen, maar ze maken het werken net wat zachter en bewuster.
Kleurpotloden
Kleurpotloden gebruik ik al sinds ik klein was. Ze zijn eigenlijk altijd een vast onderdeel gebleven van hoe ik werk. Door de jaren heen heb ik verschillende merken geprobeerd, maar mijn favorieten zijn toch wel Faber-Castell Polychromos, Caran d’Ache Luminance en Lyra Rembrandt Polycolor. Wat ik er fijn aan vind, is dat ze lang meegaan en dat je er rustig laag voor laag mee kunt werken. Inmiddels heb ik in de loop van de tijd behoorlijk wat kleuren verzameld, genoeg om nog een hele tijd mee vooruit te kunnen.
En toch merk ik dat ik vaak teruggrijp naar dezelfde tinten. Dat bepaalde kleurencombinaties steeds weer terugkomen. Dus heb je al die potloden nodig? Nee, eigenlijk niet. Een kleiner palet kan net zo goed werken, misschien zelfs beter.
Een paar jaar geleden kreeg ik een oude schoolkast uit Groningen, waar ik nu al mijn kleurpotloden in heb gesorteerd. Daar ben ik nog steeds heel blij mee. Alles ligt op kleur bij elkaar, een beetje alsof je in een snoepwinkel kijkt.
Schetspotlood
Ik schets eigenlijk altijd met rood. Rood? Ja, echt. Het heeft iets onverwachts, maar voor mij werkt het juist heel prettig. De lijnen blijven mooi staan en smeren niet uit wanneer ik er met waterverf overheen ga. Tegelijkertijd mengt het rood zich subtiel met de kleuren die ik gebruik, waardoor het niet storend aanwezig blijft in de uiteindelijke illustratie.
Met rood werken maakt het ook makkelijker om mijn werk later nog te bewerken in Adobe Photoshop, omdat de lijnen minder hard aanwezig zijn en sneller verdwijnen in het geheel. Qua merk gebruik ik hiervoor Faber Castell Polychromos en dan de kleur 117 (Light cadmium red). Ik ontdekte deze manier van werken toen ik zag dat mijn favoriete illustrator, Rebecca Green, met deze kleur schetste. Dat bleef ergens hangen. Op een gegeven moment dacht ik: oké, ik moet dit gewoon zelf proberen. Sinds die tijd is het eigenlijk gebleven.
Qua gummen is mijn favoriet toch wel de Dust-Free gum van Faber-Castell. Deze werkt voor mij het prettigst, vooral omdat hij de kleurpotloodlijnen goed weghaalt zonder het papier te beschadigen of te vlekken.
Voor het slijpen van mijn potloden gebruik ik verschillende puntenslijpers. Ik wissel af tussen T’Gaal, Faber-Castell en een Prismacolor eraser, afhankelijk van wat ik op dat moment nodig heb. Daarnaast heb ik ook een handmatige slijper van Dahle. Die is vrij simpel en niet duur, maar werkt verrassend goed. De punten worden mooi scherp, precies zoals ik ze het liefst heb wanneer ik begin met schetsen.
Penselen
Ik heb niet echt één vast favoriet merk als het om penselen gaat. De laatste tijd werk ik bijvoorbeeld veel met een set van Lieberge, die ik via Amazon heb gekocht. Een beetje een spontane aankoop, zonder al te hoge verwachtingen, maar juist daardoor extra leuk dat ze zo goed bevallen. Deze penselen zijn gemaakt van synthetisch zobelhaar, wat betekent dat de haren kunstmatig zijn, maar wel het gevoel van echt marterhaar nabootsen. Ze schilderen verrassend prettig en de puntjes blijven mooi in vorm, ook na meerdere keren gebruiken. Inmiddels heb ik er al behoorlijk wat getest, maar dit was echt zo’n onverwacht fijn setje.
Daarnaast ben ik ook fan van de penselen van Princeton, en dan vooral de Heritage-serie. Die werken heel verfijnd en gecontroleerd, maar zijn wel een stuk prijziger. Daarom kijk ik daar meestal naar in setjes, zodat het net wat toegankelijker blijft.
Inkt en krijt
Laatst kocht ik drie flesjes Acrylic Ink van Liquitex. Ik kan er nog niet zoveel over zeggen, omdat ik ze nog aan het ontdekken ben. Wat me wel meteen opviel, is hoe mooi de kleuren zijn: fel, helder en behoorlijk dekkend. Omdat het inkt is, werkt het fijn om grotere vlakken egaal mee in te kleuren. Het voelt als een materiaal waar nog veel in zit om verder te verkennen.
Daarnaast heb ik een aantal krijtjes van Caran d’Ache Neocolor II. Die gebruik ik niet heel vaak, maar juist af en toe, wanneer het past binnen een illustratie. Bijvoorbeeld voor een achtergrond, een zachte schaduw of om ergens in het geheel wat meer textuur of speelsheid toe te voegen.
Het zijn van die materialen die niet altijd op de voorgrond staan, maar wel iets extra’s brengen wanneer ik ze erbij pak.
Timertje
Tijdens het werken gebruik ik vaak een klein timertje. Het is niets bijzonders, maar het helpt me om mijn aandacht erbij te houden en niet te verdwalen in alles wat nog moet of kan.
Soms zet ik hem op een bepaalde tijd en werk ik in korte blokken. Andere momenten gebruik ik hem juist losser, meer als een soort houvast gedurende het proces. Het geeft net genoeg structuur zonder dat het dwingend wordt.
Wat ik er fijn aan vind, is dat het me helpt om aanwezig te blijven bij wat ik aan het doen ben. Gewoon even met mijn aandacht op de dag.
Uiteindelijk merk ik dat alles wat ik gebruik, van potlood tot penseel invloed heeft op hoe iets ontstaat. Niet alleen in het eindresultaat, maar juist in het proces ernaartoe. Ik ben daar nog steeds in aan het ontdekken. Wat werkt, wat niet werkt, wat bij me past en wat misschien nog mag groeien. En misschien is dat wel het mooiste eraan: dat het niet af hoeft te zijn.
Gewoon blijven maken, blijven kijken en zien wat er langzaam ontstaat.
Terwijl ik hiermee bezig ben, merk ik dat er nog één onderdeel is dat minstens zo belangrijk is, maar vaak wat minder aandacht krijgt: papier.
In de volgende ateliernotities neem ik je daar graag in mee!
Reactie plaatsen
Reacties
Wat super leuk dit!
Ik heb al een paar keer gedacht, zal ik Marlous vragen wat voor potloden zei gebruikt. En tadaaa ineens een hele blog! Ben benieuwd naar deel 2!